Instructie voor arts-assistenten Obstetrie en Gynaecologie in niet-opleidingspraktijken
In het ziekenhuis
naam:
plaats:
betrekking hebbend op handelingen op het gebied van de geneeskunst
Considerans
Overwegende dat: de arts assistent op grond van een arbeidsovereenkomst met het ziekenhuis aangesteld is als arts-assistent obstetrie/gynaecologie, en op grond van artikel 6 van de CAO Ziekenhuiswezen (die van toepassing is) verplicht is de overeengekomen werkzaamheden naar beste vermogen te verrichten en zich daarbij te gedragen naar de aanwijzingen door of vanwege de directie gegeven, de aanwijzingen m.b.t. werkzaamheden in het kader van de patiëntenzorg, gegeven worden door de gynaecologen verbonden aan het ziekenhuis de verantwoordelijkheid tot supervisie bij de patiëntenzorg wordt gedragen door alle gynaecologen van de maatschap de arts-assistent als arts bevoegd is tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst¹ en als zodanig een eigen medische en juridische verantwoordelijkheid heeft het uit oogpunt van tuchtrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid van zowel arts-assistenten, gynaecologen, ziekenhuis t.o.v. patiënten gewenst is te beschikken over een instructie voor het verrichten van handelingen op het gebied van geneeskunst betrekking hebbend op het specialisme obstetrie/gynaecologie, welke handelingen verricht zouden kunnen worden door arts assistenten, hebben de gynaecologen van het ziekenhuis met instemming van de ziekenhuisdirectie de volgende instructie vastgesteld.
¹ Deze term wordt in het voorstel van de wet BIG gebruikt. Dit vloeit eveneens voort uit de wettelijke vergunning tot het uitoefenen van de geneeskunst, welke wordt verkregen door het artsendiploma.
1. Begripsbepalingen
In deze instructie wordt verstaan onder
a. Arts assistent: de arts die niet als gynaecoloog in het register van erkende medische specialisten van de SRC is ingeschreven en die onder functionele verantwoordelijkheid van de Gynaecologen verbonden aan het ziekenhuis deelneemt aan de patiëntenzorg in het ziekenhuis voor wat betreft het specialisme obstetrie/gynaecologie.
b. Superviserend gynaecoloog: degene die op basis van de binnen de maatschap obstetrie/gynaecologie van het ziekenhuis vigerende afspraken in een bepaalde situatie moet worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever.
c. Behandelend gynaecoloog: de gynaecoloog die de medische verantwoordelijkheid draagt voor de zorg aan de patiënt in kwestie.
2. Algemene bepalingen
2.1. De arts-assistent is verplicht, onverlet zijn eigen medische en juridische verantwoordelijkheid, alle hem opgedragen werkzaamheden in het kader van de patientenzorg nauwgezet en naar beste kunnen te verrichten met inachtneming van: - geldend recht² - door of vanwege de directie en/of medische staf vastgestelde reglementen en voorschriften³ - de vigerende medische protocollen - de eventueel bij de opdracht gegeven aanwijzingen4
2.2. In onderling overleg stellen de gynaecologen een autorisatielijst vast, gebaseerd op - de concrete bekwaamheid van de arts- assistent - hun persoonlijk inzicht en dat van de arts-assistent Aan de hand hiervan wordt vastgesteld tot het verrichten van welke handelingen de arts-assistent zonder directe supervisie in staat mag worden geacht, danwel welke handelingen onder leiding van een gynaecoloog verricht moeten worden. Tijdens periodiek te houden besprekingen met de arts-assistent zal deze autorisatie aan de orde komen en voor een komende periode schriftelijk worden vastgesteld.
2.3. De arts-assistent is verplicht alleen een opdracht te aanvaarden indien hij rederlijkerwijs mag aannemen dat hij beschikt over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk uitvoeren van die opdracht.
2.4. De arts-assistent is verplicht bij twijfel te allen tijde te overleggen met de superviserend gynaecoloog.
2.5. De arts-assistent overlegt vooraf met de superviserend dan wel de behandelend gynaecoloog over de informatie verstrekking aan de patiënt betreffende het te voeren beleid.
2.6. De arts-assistent heeft ten opzichte van een patiënt het recht op grond van zijn persoonlijke inzichten/gewetensbezwaren te weigeren een bepaalde behandeling te verrichten. Hieronder kunnen ook zwaarwegende morele bezwaren vallen. Hij moet de superviserend gynaecoloog hiervan onmiddellijk in kennis stellen6.
²Hieronder vallen alle patientenrechten, tuchtrechtelijke normen, de algemeen aanvaarde normen met betrekking tot verslaglegging etc.
³ Hieronder vallen klachtenregeling, FONA-reglement, privacy-reglement en toekomstige wetgeving (WBGO) etc.
4 Conform de bepalingen in de wet BIG.
5 Conform de bepalingen van de wet BIG en conform de vigerende jurisprudentie.
6 Zie CAO ziekenhuiswezen artikel 6
3. Werkverdeling
3.1. De gynaecologen stellen een rooster op, aan de hand waarvan de werkzaamheden in het kader van de patientenzorg op de operatie-afdelingen, de verpleegafdelingen, de polikliniek en de verloskamers worden ingedeeld.
3.2. Er moet een dienstrooster zijn van de arts-assistenten. Dit rooster dient tijdig te worden verspreid.
3.3. Regelmatig vinden plenaire besprekingen met de gynaecologen plaats. Alle bijzondere bevindingen en situaties dienen hier aan de orde te komen.
4. Obstetrische/Gynaecologische handelingen op de operatie-afdeling
4.1. De arts assistent verricht obstetrische/gynaecologische handelingen binnen de operatie-afdeling uitsluitend in opdracht van, na vooraf verkregen toestemming van, dan wel onder leiding en toezicht van de superviserend gynaecoloog.
5. Handelingen op de verpleegafdeling (voor specificatie zie bijlage)
5.1. De arts-assistent treedt in beginsel zelfstandig op in het kader van de zorgverlening aan de patiënten op de verpleegafdeling. De arts-assistent is verplicht overleg te voeren met de behandelende/superviserende gynaecoloog in geval van twijfel, en meer in het bijzonder indien de toestand van de patiënt daartoe aanleiding geeft.
5.2. De arts-assistent meldt tijdens het dagelijks rapport: - ingestuurde, opgenomen en bevallen patiënten - vastgestelde (dreigende) complicaties en de in verband hiermede genomen en/of te nemen maatregelen - elke andere gebeurtenis, waarvan het belang lijkt te vereisen dat gynaecologen en/of arts-assistenten daarvan op de hoogte zijn.
6. Handelingen op de polikliniek/consulten (voor specificatie zie bijlage)
6.1. De arts-assistent verricht in beginsel zelfstandig onderzoek en controle en behandeling met in het algemeen de verplichting tot rapportage en overleg, met name als het nieuwe patiënten betreft.
6.2. De arts-assistent pleegt in ieder geval overleg met de superviserend gynaecoloog bij het bestaan van onzekerheid en/of dreigende situaties bij abnormaal beloop van het genezingsproces en bij consulten met een spoedeisend karakter.
6.3. De arts-assistent neemt slechts beslissingen over acute of selectieve opname van een patiënt na verkregen toestemming van de superviserend of behandelend gynaecoloog.
7. Handelingen op de verloskamers (voor specificatie zie bijlage)
7.1. De arts-assistent neemt slechts beslissingen tot opname van een patiënt of tot inleiding van de baring bij een patiënt na verkregen toestemming van een superviserend gynaecoloog.
7.2. De arts-assistent pleegt in een vroegtijdig stadium overleg met de superviserend gynaecoloog over een al dan niet gecompliceerd zwangerschaps- en/of baringsverloop.
7.3. De arts-assistent pleegt altijd overleg over patienten die voor directe beoordeling worden verwezen door de huisarts, verloskundige of collegae specialisten.
8. Handelingen buiten de kantooruren (voor specificatie zie bijlage)
8.1. De arts-assistent verricht buiten de kantooruren in beginsel dezelfde behandelingen als binnen de kantooruren.
8.2. Voor de zorg aan de patiënten op de verpleegafdeling geldt dat de arts-assistent overlegt met de superviserend gynaecoloog over elke patiënt wiens (verandering van de) toestand daartoe aanleiding geeft. Met name vindt overleg plaats over - vastgestelde (dreigende) complicaties - het in consult roepen van andere specialisten die nog niet bij de zorgverlening aan de patiënt in kwestie betrokken zijn - overplaatsing naar de intensive-care afdeling - overplaatsing naar elders, bijvoorbeeld een antepartale overplaatsing De arts-assistent meldt aan de superviserend gynaecoloog - patiënten die tegen het advies het ziekenhuis verlaten - overleden patiënten
9. Slotbepalingen
In alle gevallen met betrekking tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst voor wat betreft het specialisme obstetrie/gynaecologie door een arts-assistent obstetrie/gynaecologie waarin deze instructie niet voorziet, beslist de superviserend gynaecoloog. - Aan deze instructie is toegevoegd een specificatie van de belangrijkste redenen voor consultatie van de superviserende gynaecoloog (zie bijlage).
Bijlage
Specificatie van de belangrijkste redenen voor consultatie van de superviserende gynaecoloog als aanvulling op de instructie van arts assistenten niet in opleiding
Algemeen
- Bij alle voorkomende gevallen waarbij sprake is van twijfel of onzekerheid, zowel ten aanzien van beoordeling van de toestand als ten aanzien van behandelingen of beleid.
- Indien de komst wordt aangekondigd van een patiënt die in algemeen slechte toestand verkeert (vitale functies).
- Bij alle (spoed) consulten voor andere specialismen.
- Bij medische fouten (bijvoorbeeld geneesmiddelen, infusies) of "near accidents".
- Bij geweld en andere criminaliteit in de kliniek. - Bij overlijden van een patiënt.
Obstetrie
- Bij alle situaties waarin opnemen van de patiënt nodig wordt geacht met uitzondering van het opnemen van een vrouw in partu, voor wie verwacht wordt dat de baring ongestoord zal verlopen.
- Bij (onverwachte) intra uterine vruchtdood (meer dan 16 weken).
- Bij kunstverlossingen, tenzij men geautoriseerd is voor de betreffende kunstverlossing. Ten aanzien van de indicatie tot het uitvoeren van een kunstverlossing dient altijd overleg plaats te vinden.
- Bij alle stuitbevallingen en bij alle tweelingbevallingen, bij nulliparae bij bereiken van volkomen ontsluiting, bij multiparae ruim voor de uitdrijving zodat de supervisor tijdig aanwezig kan zijn.
- Bij manuele placentaverwijdering.
- Bij HPP welke niet direct met eenvoudige maatregelen kan worden gecoupeerd.
- Bij (verdenking op) cervix ruptuur en totaal ruptuur en bij andere letsels van het baringskanaal bij de behandeling waarvan men geen voldoende ervaring heeft.
- Bij (verdenking) op uterus ruptuur.
- Bij (verdenking) op solutio placentae.
- Bij fors bloedverlies in de tweede helft van de zwangerschap.
- Bij evidente verergering van de status van een patiënte met toxicose, in het bijzonder bij een eclamptisch insult.
Gynaecologie
- Bij sterke verdenking op extra uterine graviditeit en/of steeldraai/ of andere situaties van acute buik.
- Bij sepsis of andere vitale stoornissen bij opgenomen of verwezen patiënten (shock, verdenking infarct, verdenking longembolie).
- Bij verdenking op post operatieve bloedingen.
- Bij zedendelicten.